Mijn ademhaling giert door m’n longen. Mijn benen worden zwaarder bij elke poging ze op te tillen. Bovenaan iedere trap krijg ik een beetje hoop, die me even later meedogenloos weer wordt afgenomen. Aan de top van iedere trap wacht een nieuwe trap, die leidt naar nog een trap. Ik vergeet even dat ik bij het boeken acuut instemde met het plan om naar Portugal te gaan, en vervloek de heuvels waarop Porto is gebouwd. We zijn pas net begonnen aan de stadswandeling, die vanaf beneden bij de rivier de Douro omhoog de stad in loopt. Ik realiseer me dat mijn conditie wat te wensen overlaat vergeleken bij die van mijn vriendinnen, de een hockeyster, de ander korfbalster. Toegegeven, de straatjes zijn prachtig en het uitzicht zal boven vast nog mooier zijn, maar tijdens het klimmen vraag ik me toch stiekem af of een midweek Parijs niet ook leuk was geweest.
Oude liefde
Ik neem me echter voor om niet te veel stil te staan bij mijn zelfgecreëerde misère, stop af en toe met lopen en draai me om richting het steeds dieper wordende dal. Ik wist al dat ik Portugal een fijn vakantieland vond. Porto blijkt geen uitzondering te vormen op die regel. Het eten is heerlijk, verse vis in overvloed, en ook van de Portugese wijn word ik erg gelukkig. Als ik vanaf de heuvel naar de stalen bruggen kijk die Porto met het aan de overkant gelegen Gaia verbinden, groeit mijn liefde weer een beetje. Gaia hoort oorspronkelijk niet bij Porto, maar wordt tegenwoordig wel gezien als integraal deel van de stad. De reden hiervoor is hoogstwaarschijnlijk het grote aantal portkelders dat hier gevestigd zit. Ik neem me ter plekke voor om ergens deze week een port-tasting voor te stellen aan de meiden. Een activiteit waar je, gelukkig voor mij, helemaal geen conditie voor nodig hebt.
We stoppen even om wat foto’s te maken van het met bloemen overgroeide steegje, als we ineens een stem horen. “Excuse me, do you know how I get the hell out of here?”. Ik kijk omhoog. Een vriendelijk, gebruind gezicht met grijze haren kijkt van boven op me neer. De grijsaard vertelt ons vast te zitten in een park, waar met geen mogelijkheid een uitweg uit blijkt te zijn. We stellen nog voor dat hij er wellicht uit moet op dezelfde plek waar hij erin is gekomen. Een oma-achtig advies, wat hij dan ook schamper weglacht. Of we wel weten hoe ver dat lopen is? We speuren aan onze kant van het doolhof naar een uitgang, maar die blijft inderdaad uit.
Landgenoten
Na vijf minuten met de man over en weer te hebben geschreeuwd, begint me iets te dagen. Dat accent komt me zo bekend voor. Ik doe een gok en vraag voorzichtig: “Meneer, bent u toevallig Nederlands?”. De man zet zijn pleidooi over onmogelijke Portugese wegwijzers onverstoorbaar voort in het Engels, en ik geef het bijna op. Als ik tegen mijn vriendinnen zeg dat we misschien maar verder moeten lopen, valt bij de grijsaard ook het kwartje. “Jullie zijn gewoon Nederlands!” roept hij verrast. We lachen allemaal wat schaapachtig, en mijn vriendinnen zetten de tocht voort omhoog. Ik voel me toch een beetje verantwoordelijk voor deze landgenoot, en loop nog een keer heen en weer. Als ik me omdraai, staat de man ineens bovenop de muur die hem deze hele tijd gevangen hield, en ik hou als vanzelf mijn adem in. “Meneer, doet u voorzichtig?” piep ik nog, maar meneer heeft het helemaal gehad en maakt zich klaar om naar beneden te springen. Ik wil het breken van twee bejaarde benen niet op mijn geweten hebben, dus in een laatste poging de man op zijn muur te houden roep ik dat de barricade aan mijn kant toch echt aanzienlijk hoger is dan aan zijn kant. De grijsaard stopt, zegt nog even dat hij echt heus fitter is dan hij eruit ziet, maar staakt toch zijn ontsnappingspoging.
En ook nog eens geen bier
Me uitvoerig verontschuldigend loop ik verder omhoog, richting mijn doel van de dag: een terras met koude sangria. Ik zwaai nog even, en hoop vurig dat de man zonder kleerscheuren terug bij zijn hotel komt vanavond. Een klein kwartier later blijkt mijn stille gebedje verhoord, want als we de hoek omlopen zien we daar de grijsaard, met alle ledematen nog in tact. Hij vertelt ons bijna trots dat hij toch een uitweg heeft gevonden, waarmee zijn Indiana Jones avontuur ten einde is. Ik vraag nog of het park dat hem gevangen hield dan op z’n minst de moeite waard was om gezien te hebben. “Ach, ik heb mooiere gezien, en bovendien is er geen biertje te krijgen daarbinnen”. Met deze woorden nemen we afscheid. Het park besluiten we maar over te slaan.



Geweldig! Echt leuk geschreven, geen gebroken bejaarde benen haha! Wanneer kom je nu in de Kampioen?
LikeLike
Haha dankje! Ik kom in het septembernummer van de Kampioen 😊
LikeLike